Op naar een Europese Geschillenkamer voor tariefgeschillen |
Dinsdag 19 Februari 2008 |
Monopolisten zoals Buma en Sena spreken tarieven af met de gebruikers van auteursrechten en naburige rechten. De hoogte van deze tarieven geeft regelmatig aanleiding voor geschillen. Gebruikers vinden de tarieven vaak te hoog, terwijl de collectieve rechtenorganisaties de tarieven eerder te laag vinden. Kom daar maar eens uit. In de afgelopen jaren is gebleken dat noch de Nma, noch het College van Toezicht Auteursrechtorganisaties noch de gewone rechter goed uit de voeten konden met tariefgeschillen. Een impasse is het gevolg. Vorige week verscheen dan eindelijk het lang verwachte rapport over tarieven, transparantie en tribunalen in het auteursrecht van Prof. mrs. Hugenholtz, Visser en Hins, getiteld ‘Geschillenbeslechting en Collectief Rechtenbeheer’. Het rapport was al op 31 oktober 2007 klaar maar mocht kennelijk niet eerder naar buiten worden gebracht. In het rapport worden met name de ervaringen van Canada en Duitsland met resp. een Copyright Board en een ‘Schiedsstelle’ nader uitgelicht. Uit interviews met belanghebbenden is de onderzoekers gebleken dat er met name behoefte is aan: - meer transparantie bij de collectieve rechtenorganisaties; - een betere normering van de wettelijke vergoedingsrechten; - een expertisecentrum voor de rechterlijke macht; - een doelmatige wijze van geschilbeslechting. Belangrijke tarieven van de collectieve beheersorganisaties (CBO’s) zijn onvoldoende transparant volgens de rapporteurs, waardoor het vertrouwen in de CBO’s wordt aangetast. De rapporteurs merken echter ook op dat tal van tarieven van CBO’s nu al volledig transparant zijn, want worden vermeld op de websites van de CBO’s. Dat is echter niét genoeg om daadwerkelijk van transparantie te kunnen spreken, zo is mij in de praktijk meermaals gebleken. Juist ondanks de algemene brochures en folders met ‘standaardtarieven’ is van daadwerkelijke transparantie geen sprake. Immers, vaak wordt in de contracten tussen gebruikers en een CBO een geheimhoudingsformule opgenomen én een ‘meestbegunstigingsclausule’, ook wel ‘most favoured party’ clausule genoemd (de onderzoekers merken dit overigens zelf ook op). Het onderhandelingsresultaat blijft op deze wijze onbekend voor derden want wordt aangemerkt als ‘bedrijfsgeheim’. En iedere partij probeert er middels onderhandelingen ‘beter’ uit te springen dan de concurrent. Maar of dat ook écht zo is, weet uiteindelijk alleen het CBO met wie de ‘geheime’ afspraken zijn gemaakt. De feitelijke inhoud is immers voor derden niét kenbaar. In de praktijk wordt tussen partijen onderhandeld over kortingspercentages, kostenaftrekken en andere factoren die er toe leiden dat per saldo minder moet worden betaald dan zo op het eerste gezicht lijkt. Welk tarief van de verschillende tarieven die worden gehanteerd op precies welke partij van toepassing is, kan soms ook tot een voor de gebruiker positief onderhandelingsresultaat leiden. Bovendien blijken gebruikers er zeker niet altijd een even transparante wijze van uitvoeren van de gemaakte afspraken op na te houden, waarin zij door het CBO zeker niet altijd worden gecorrigeerd. Ook op deze manier kunnen gebruikers zichzelf kosten besparen. Het rapport komt met een oplossing voor de impasse die bestaat uit drie componenten: - een transparantieplicht - normering van de tarieven - een geschillenregeling Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat deze oplossing uitsluitend wordt voorgesteld voor situaties waarin CBO’s als monopolisten (bijv. Buma) of quasi-monopolisten (bijv. Stemra) tarieven in rekening brengen aan gebruikers. Daar waar er voor CBO’s ten aanzien van een licentie activiteit reële concurrentie bestaat, moet de ‘markt’ zijn werk doen. Wordt hiermee wellicht een voorsprong genomen op de vanuit de EG voorgestelde concurrentie tussen CBO’s als het gaat om de vaststelling van tarieven voor digitale exploitatie? Voor reprorecht, thuiskopie en leenrecht wordt een door de wetgever vast te stellen tarief voorgesteld vanwege het ‘fiscale’ karakter van deze vergoedingen. Ten aanzien van de geschilbeslechting wordt – naar Duits model – voorgesteld een ‘geschillenkamer’ in te stellen, die een verplichte voorfase vormt voor de gang naar de rechter. Deze geschillenkamer moet geen permanent college worden, maar steeds op ad hoc basis, per geschil worden samengesteld. De onderzoekers verwachten dat een geschillenkamer daardoor relatief weinig behoeft te kosten, maar dat lijkt mij onjuist. Ik voorspel dat door het instellen van een geschillenkamer het aantal klachten over tarieven behoorlijk zal toenemen (op dit moment heeft klagen bij de rechter, College van Toezicht of Nma immers geen zin). Bovendien zal er toch ook een ondersteunend apparaat moeten zijn dat het ad hoc college in haar werkzaamheden begeleid. Ook ben ik erg benieuwd uit hoeveel en welk type personen de ‘poule van deskundigen’ in Nederland zou kunnen bestaan. In ieder geval zullen advocaten daar niet spoedig in willen plaatsnemen, doordat zij voor zichzelf dan de concrete belangenbehartiging voor een cliënt met een klacht bij de geschillenkamer op voorhand uitsluiten. Dit aspect behoeft volgens mij dan ook zeker nadere uitwerking. De gang naar de rechter wordt door de onderzoekers zeker niet uitgesloten. Maar staat van deze gang juist niet vast dat die bij tariefgeschillen nauwelijks tot resultaat kan leiden? Men gaat ervan uit dat het advies van de geschillenkamer meestal door de rechter zal worden gevolgd. Het advies geldt dan min of meer als een deskundigenbericht voor de rechter. Van deze redenering is bijv. ook de Vaste Commissie Plagiaat van Buma/Stemra een aanhanger. Het door deze commissie gegeven niet-bindende advies wordt inderdaad maar zelden aan de rechter voorgelegd. Maar in de keren dat dat wél gebeurde, bleek de rechter inhoudelijk toch vooral zélf te (laten) toetsen. Bovendien bleek het eindresultaat voor de strijdende partijen geheel anders dan het gegeven advies te kunnen uitvallen, doordat de rechter bijv. ook meer formele en bewijsrechtelijke regels dient toe te passen. Dit in tegenstelling tot de VCP. Ik ben benieuwd hoe een en ander in het geval van een Nederlandse Geschillenkamer zou blijken uit te pakken. Mij lijkt het van groot belang om tot een snelle oplossing van de huidige impasse in de geschilbeslechting van tarieven te komen. Maar moeten dergelijke geschillen over tarieven in deze tijd van internationalisering niet tóch liever worden aangepakt op Europees niveau? Daar waar de ‘billijkheid van de vergoeding met name moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de waarde van dit gebruik in het handelsverkeer’ (Hoge Raad 28 mei 2004, LJN AA6180, NJ 2006, 375) en dat handelsverkeer zich - zeker in het geval van muziek – op internationaal dan wel Europees niveau afspeelt, lijkt een Europese oplossing mij op den duur onvermijdelijk. Dus op naar een Europese Geschillenkamer. |