Auteursrechten, licenties en faillissement |
Donderdag 29 Mei 2008 |
Er bestaat in de branche veel onduidelijkheid over de vraag wie welke auteursrechten nog kan uitoefenen in het geval van een faillissement. Bart Lenselink schreef daar een helder, juridisch artikel over in het juridische blad AMI. Zijn bevindingen vat ik hieronder kort samen. MakerGaat de natuurlijke maker failliet (bijv. en bekende fotograaf), dan blijven de door hem verstrekte licenties (bijv. aan een fotobureau) in stand. De auteursrechten van de maker vallen niét in de boedel en de curator kan deze rechten dus ook niet verkopen aan een derde. Wél heeft de curator c.q. de boedel recht op de inkomsten die met de rechten worden gegenereerd. Een faillissement van een natuurlijke maker heeft dus in beginsel géén gevolgen voor licentienemers en sublicentienemers. Maar dit alles geldt niet zodra de natuurlijke maker het werk heeft overgedragen aan een ander en die ander failliet gaat. Dan vallen de rechten op het werk wél in de boedel en geldt het gestelde hierna. Hetzelfde geldt voor failliete erfgenamen van auteursrechten. Werkgever en rechtspersoonDe Auteurswet kent ook andere makers dan de natuurlijke personen die een werk hebben gemaakt, bijv. de werkgever of de rechtspersoon. Waarschijnlijk – er zijn ook tegenargumenten – vallen de auteursrechten bij een faillissement van de rechtspersoon of werkgever in deze gevallen wél in de boedel. Wat is dan het gevolg voor door de werkgever of rechtspersoon verstrekte (sub)licenties aan derden? Wederkerige overeenkomstenAllereerst is het van belang te bezien of er sprake is van een wederkerige overeenkomst die ten tijde van het faillissement nog niet (geheel) is nagekomen door beide partijen. Is hiervan sprake, dan kan de (niet failliete) licentienemer aan de curator schriftelijk een termijn stellen waarbinnen deze zich al dan niet bereid verklaart de overeenkomst gestand te doen oftewel verder na te komen. Wil de curator nakomen (hij wil bijv. de inkomsten uit de licenties in de boedel verkrijgen), dan dient de curator zekerheid te stellen voor de nakoming. Wil de curator niét nakomen (de curator wil bijv. de rechten verkopen) dan blijft de overeenkomst tóch in stand. Wat voor beëindiging van de overeenkomst is ontbinding noodzakelijk. Ontbinding is mogelijk in het geval van wanprestatie. Doet de licentienemer niets, dan kan ook de curator aan de licentienemer vragen wat hij wil: nakoming of ontbinding. Ook de curator kan ontbinden in het geval van wanprestatie door de licentienemer. Is sprake van een situatie waarbij de licentienemer zijn verplichtingen al volledig is nagekomen (bijv. de licentienemer heeft een eenmalige vergoeding betaald en meer behoefde hij niet te doen), dan kan de curator de rechten verkopen. De overeenkomst blijft in stand en de curator kan na verkoop niet meer nakomen waardoor er wanprestatie optreedt. Maar dat levert de licentienemer slechts een concurrente vordering op in het faillissement, dus in veel gevallen blijft de licentienemer dan met lege handen achter. Inmiddels is na het Nebula-arrest van de Hoge Raad uit 2006 duidelijk geworden dat in het geval de licentienemer nog wél moet presteren én hij blijft nakomen, de curator tóch aan het langste eind zal trekken. De curator kan de rechten verkopen aan derden en deze derden kunnen de rechten vervolgens exploiteren, zonder dat de licentienemer daar op grond van zijn dan nog steeds geldige licentiecontract met de boedel, nog iets tegen kan doen. De verkrijger van de rechten kan zelfs optreden tegen de oorspronkelijke (sub)licentienemer wanneer deze exploitatiehandelingen blijft verrichten. De licentienemer die blijft exploiteren doet dat na de verkoop namelijk onbevoegd. De reden voor dit alles is het feit dat de licentie naar Nederlands recht géén zakelijke werking heeft, oftewel geen absolute werking heeft (zoals het auteursrecht) maar relatieve werking en dus niét tegenover derden kan worden ingeroepen. Conclusie: tenzij het de natuurlijke maker is die failliet is gegaan, heeft in faillissementen waarbij auteursrechten zijn betrokken, de curator en niét de licentienemer het voor het zeggen. (Bron: AMI maart/april 2008, pag. 29-32) |