HALLO POPPODIUM! U bent verplicht ingeschreven bij het Bedrijfschap Horeca & Catering! |
Dinsdag 03 Juni 2008 |
Met deze mededeling werd mijn cliënt een tijdje geleden ‘verblijd’. Het bedrijf van X – een bekend podium in Nederland, bestond al jaren gelukkig zonder inschrijving. Men had ook nog nooit van de betreffende inschrijfplicht gehoord. Mijn cliënt kwam er al snel achter dat zo’n inschrijving bepaald geen voordelen zou bieden aan het podium. Een onderneming is inschrijfplichtig als sprake is van het ‘als bedrijf verstrekken van logies, dranken of spijzen gepaard gaande met dienstverlening’. Uit de jurisprudentie blijkt dat het verstrekken van dranken e.d. een zelfstandige functie moet hebben, wil van een inschrijfplicht sprake zijn. Mijn cliënt had allerlei goede redenen om te menen dat bij haar ging om een onzelfstandige functie. Het verstrekken van dranken volgt immers noodzakelijkerwijs uit het (laten) organiseren van concerten. Bij het podium van mijn cliënt werd inderdaad gedronken en gegeten, zoals wel vaker voor, tijdens en na popconcerten. Maar dat maakte de horeca dienstverlening nog niét tot een doel op zich. De organisatie van optredens en zaalverhuur, dáár ging het mijn cliënt om. Direct na de inschrijving volgde een factuur van het Pensioenfonds Horeca. Of men maar even met terugwerkende kracht pensioenpremies wilde betalen voor de medewerkers. Het argument dat voor de medewerkers al pensioenpremie was afgedragen aan een andere partij, vond het fonds niet geldig. Dus dreigde een dubbele betaling van pensioenpremies. Een enorme claim! Bovendien bleek men ineens onder de Horeca-CAO te komen vallen, met allerlei andere onverwachte complicaties van dien. Vraag aan mij was of er iets aan deze kwestie kon worden gedaan. In procedureel opzicht kun je tegen een besluit tot inschrijving bij het Bedrijfschap zélf bezwaar maken. Een speciale bezwaarcommissie kijkt dan opnieuw naar de kwestie en brengt een advies uit aan het Bedrijfschap. Het Bedrijfschap neemt vervolgens opnieuw een besluit over de inschrijving, waarbij 99 van de 100 keer het advies van de commissie wordt gevolgd. Men heeft zo’n commissie immers niet voor niets. Ook bij ‘mijn’ podium ging het zo. Nadat een onderzoek was ingesteld en wat vragen over de exploitatie van het podium waren beantwoord, kwam er alsnog een negatief besluit. De inschrijfplicht bleef dus gehandhaafd. Als een belanghebbende het niet eens is met het besluit dat is genomen in een bezwaarschriftprocedure, kan men vervolgens naar het College van beroep voor het Bedrijfsleven in Den Haag toestappen. Intussen was de pensioenkwestie nog steeds actueel. Een bedrijf kan aan het Pensioenfonds een vrijstelling vragen voor de betaling van premies. Maar deze vrijstelling wordt doorgaans alleen afgegeven als de regelgeving daartoe een verplichting bevat. Helaas kon mijn podium geen beroep doen op zo’n verplichte vrijstelling. Dan resteert nog de mogelijkheid een beroep te doen op een door het Pensioenfonds vrijwillig af te geven vrijstelling. Maar het Pensioenfonds gaat daartoe pas over, als uit een actuariële vergelijking (ingewikkelde berekeningen) volgt, dat het pensioen waarvoor premie is betaald, volledig gelijkwaardig is aan het pensioen dat door het Pensioenfonds Horeca wordt geboden. Mijn cliënt meende dat daarvan sprake was, maar het Pensioenfonds was dat niet met haar eens. Informeel werd duidelijk dat men de verplichting om premies af te dragen zou handhaven. Vervolgens werd er een officieel bezwaarschrift ingediend bij het Pensioenfonds, dat een eigen beleidsvrijheid heeft als het gaat om de vraag of uit de verplichte inschrijving bij het Bedrijfschap nu wel of niet verplichte premiebetaling bij het Pensioenfonds volgt.Het zag er niet zo goed uit voor mijn cliënt. En toen werd het 2008. Het Pensioenfonds besloot dit jaar dat mijn cliënt niet langer verplicht pensioenpremies behoefde af te dragen. De onderliggende regelgeving bleek per 1 januari 2008 te zijn gewijzigd. Voor de periode tot 2008 werd alsnog een (zeer schaarse) vrijwillige vrijstelling afgegeven en vanaf 2008 staat het vast dat mijn cliënt geen premie meer hoeft te betalen. De reden hiervoor is dat men een nieuwe maatstaf in de regeling heeft opgenomen. Pas als 50% of meer van de loonsom betrekking heeft op dienstverlening in de horeca, volgt een verplichting tot premiebetaling aan het Pensioenfonds. Het pensioenprobleem was hiermee ineens van de baan. Maar hoe zit de relatie tussen de inschrijfplicht bij het Bedrijfschap enerzijds en de toepasselijkheid van de horeca-CAO anderzijds nu precies in elkaar? Ook daarover bleef veel onduidelijk. Aanvankelijk zag het er naar uit, dat de Horeca-CAO vanwege de inschrijfplicht op het gehele bedrijf van cliënt van toepassing zou zijn. Alle medewerkers van het podium, waarvan vrijwel niemand zich met horeca bezig hield, zouden dan onder een voor hun vreemdsoortige CAO gaan vallen. Ook om deze reden werd de inschrijfplicht in beroep bestreden. Er volgde een hoorzitting in Den Haag. Daar bleek allereerst dat het meer dan tien jaar geleden is dat vragen als de onderhavige voor de rechter zijn gebracht. Eind jaren tachtig en negentig waren er de nodige kwesties geweest, maar daarna was het stil geworden. Tot de zaak van mijn cliënt. Op de zitting bleek ook dat de relatie tussen de inschrijfplicht bij het Bedrijfschap en de toepasselijkheid van de Horeca-CAO eveneens was gewijzigd. Ook in de Horeca-CAO wordt inmiddels het loonsomcriterium toegepast. Betreft 50% of meer van de loonsom horeca-activiteiten, dan is de CAO van toepassing. Anders niet. De inschrijfplicht is nog wél van belang voor de vraag of de CAO op het gehele personeel, dan wel uitsluitend de horeca-medewerkers van toepassing is. Vindt het Bedrijfschap dat sprake is van volledige inschrijfplicht, dan is de CAO op iedereen van toepassing, ook op niet-horeca personeel. Is sprake van een gedeeltelijke inschrijfplicht, dan is de CAO uitsluitend op de horeca medewerkers van toepassing. Het slot van mijn verhaal gaat over het antwoord op de vraag wat nu nog de meerwaarde is voor het Bedrijfschap van een eventuele inschrijvingsplicht voor mijn cliënt podium X. Inderdaad, het podium moet dan jaarlijks de kas van het Bedrijfschap spekken met een contributie vanaf 0,00 tot maximaal 545,- euro per jaar. En het podium is alsdan verplicht bepaalde gegevens aan het Bedrijfschap te verstrekken voor de statistieken. Maar om meer gaat het dan niet meer. Door mijn cliënt was de toepasselijkheid van het verplichte pensioen én de toepasselijkheid van de Horeca CAO immers met succes bestreden. Maar het podium heeft het beroep tóch doorgezet. Voor het louter spekken van de kas van het Bedrijfschap is de registratieplicht volgens haar niét ontworpen. We wachten de uitspraak dus tóch nog met spanning af. |