DE VERDWENEN KROON(JUWELEN): GEEN BILLIJKE VERGOEDING VOOR ACTEURS! |
Dinsdag 18 Augustus 2009 |
Op 5 augustus j.l. heeft de rechtbank Rotterdam na twee jaar procederen uitspraak gedaan in een rechtszaak die de naburige rechten van acteurs betrof. Wat was het geval? In de periode 1977 – 1992 hebben acht acteurs – eisers – medewerking verleend aan de realisatie van in totaal negen televisie series met Bassie en Adriaan in de hoofdrol. Alle exploitatierechten waren in handen van Bassie en Adriaan, hetzij door overdracht, dan wel doordat zij de series zelf hadden geproduceerd. De acteurs probeerden middels de rechtszaak alsnog een vergoeding voor het door Bassie en Adriaan gebruiken van hun naburige rechten te verkrijgen. Artikel 4 Wet Naburige Rechten luidt als volgt: Op de uitvoering van een uitvoerend kunstenaar, die bestemd is als bijdrage voor de totstandkoming van een filmwerk (…) zijn de artikelen 45a tot en met 45g van de Auteurswet van overeenkomstige toepassing. FilmauteursrechtIn deze artikelen wordt het filmauteursrecht geregeld. Het filmauteursrecht omvat onder meer een vermoeden van overdracht van alle rechten van de mede-makers van de film ten gunste van de producent. Ten aanzien van de naburige rechten van de uitvoerende kunstenaars die meewerken aan de film, geldt dus eveneens een vermoeden van overdracht van deze rechten aan de producent. De producent krijgt op deze manier van rechtswege een ‘vrij’ verhandelbaar eindproduct in handen. Individuele makers kunnen de exploitatie van de film dus niet blokkeren. Het verbodsrecht van de auteur/uitvoerend kunstenaar geldt dus in beginsel niét voor een film. Daar staat tegenover dat de producent een billijke vergoeding verschuldigd is aan de acteurs voor iedere vorm van exploitatie van de film. Maar deze regeling is niet dwingend, Partijen kúnnen schriftelijk anders overeenkomen en dat gebeurd in de praktijk ook aan de lopende band. Wél dwingend is de regeling dat de billijke vergoeding schriftelijk moet zijn overeengekomen. Een afkoop ineens of een afstand van recht moet dus wel schriftelijk zijn vastgelegd, want anders behoudt de acteur zijn aanspraak op een billijke vergoeding. In het geval van de Bassie & Adriaan ontbrak kennelijk een contract waarin een regeling van de naburige rechten was opgenomen. Voor alle films die vóór 1 juli 1993 waren geproduceerd is dat ook niet zo vreemd. De WNR bestond toen nog niet. OvergangsrechtDe huidige regeling van het auteursrecht op films geldt sinds 1 augustus 1985. Op oudere films blijft het oude filmauteursrecht van toepassing, dat géén vermoeden van overdracht ten gunste van de producent kent. Het oude filmauteursrecht blijft dus nog jaren relevant voor oudere films. De Wet Naburige Rechten geldt sinds 1 juli 1993. In deze wet is het overgangsrecht anders geregeld. Artikel 33 WNR regelt dat de WNR óók van toepassing is op oude films en series, voorzover het gaat om gedragingen die na deze datum plaatsvinden. Vervolgens rees de vraag of de billijke vergoeding van de WNR van toepassing kon zijn op films die voor 1 augustus 1985 waren geproduceerd. Voor die tijd bestond het nieuwe filmauteursrecht immers niet. De rechter oordeelde negatief. Nu aan het filmauteursrecht door de wetgever nu eenmaal geen terugwerkende kracht is verleend, kan er ook geen aanspraak uit hoofde van de latere WNR ontstaan. Hiermee vervielen de eventuele aanspraken van de acteurs op vijf van de negen televisieseries. OvereenkomstVoor twee acteurs gold wél een overeenkomst, waarin uitdrukkelijk was opgenomen dat de eenmalige betaling tevens het herhalings(recht), video en verkoop aan andere TV zenders betrof. De rechter oordeelde dat uit deze bepaling overduidelijk bleek dat het de bedoeling van partijen is geweest om de billijke vergoeding voor de acteurs vanwege de exploitatie van de series, onderdeel te laten zijn van de overeengekomen vergoeding en de acteurs daardoor uitdrukkelijk afstand hadden gedaan van toekomstige aanspraken op een billijke vergoeding als bedoeld in de WNR. Een afkoopsom is ook niet in strijd met artikel 45d Auteurswet volgens de rechtbank, nu blijkens de wetsgeschiedenis een eenmalige vergoeding mogelijk is zolang expliciet is opgenomen voor welke vormen van exploitatie de vergoeding bedoeld is. Er bestaat dan volgens de rechtbank, géén recht meer op een vergoeding voor de genoemde exploitatievormen en ook is er dan geen aanleiding meer de hoogte van de vergoeding nog te onderwerpen aan een rechterlijke billijkheidstoets. Videos en DVD’sMaar de overeenkomst noemde uitsluitend videos en niet DVD’s, want die bestonden toen nog niet, riepen de acteurs. Ook dat kon hen niet baten. Een redelijke uitleg van het begrip video in de overeenkomst, brengt met zich mee dat daaronder ook de DVD is begrepen aangezien ‘het doel en het gebruik ervan als exploitatievormen hetzelfde is en de DVD als opvolger van de video te beschouwen is’. In de muziekbranche is in het verleden, toen vinyl werd vervangen door de CD en in oude platencontracten niet werd gerept over CD, veel discussie geweest over de vraag of de rechten van de platenmaatschappijen zich ook over de CD-exploitatie uitstrekte. Deze discussie is volgens dit vonnis beslecht. De Verdwenen KroonVervolgens resteerde kennelijk nog slechts de aanspraak van één acteur ten aanzien van één serie programma’s uit 1987, getiteld De Verdwenen Kroon. Waarom dat zo is wordt niet duidelijk in het vonnis, kennelijk is destijds met de betreffende acteur geen schriftelijke overeenkomst gesloten door Bassie & Adriaan? Is dat inderdaad het geval, dan leek de verplichting tot de betaling van een billijke vergoeding nu toch onontkoombaar voor Bassie & Adriaan. Maar ook hier komt de rechtbank beide producenten tegemoet. Bassie & Adriaan hadden aangevoerd dat de kosten van de producties vele malen hoger waren geweest dan de opbrengsten. Bovendien was het aandeel van de acteur slechts enkele minuten geweest en had de acteur destijds een royale vergoeding ontvangen voor het geleverde werk. De rechtbank oordeelt dat hogere kosten niet relevant zijn voor de vraag of er een billijke vergoeding is verschuldigd, echter, deze omstandigheid kan ‘wel van belang zijn bij de vraag wat de hoogte van deze billijke vergoeding zou moeten zijn en of deze gelet op alle omstandigheden wellicht op nihil gesteld zou moeten worden’. En dat doet de rechter vervolgens doodleuk. Vragen Het vonnis roept vele vragen op. Waarom is de volledige proceskostenveroordeling niet relevant in de zaak, en waarom hebben de acteurs niet mede een beroep gedaan op contractuele bepalingen, de nietigheid van bepaalde bedingen en/of de onrechtmatige daad? Waren er meerdere contracten en wat stond daar allemaal in? De rechtbank is via grote stappen, die verder in het vonnis niet worden uitgelegd, snel thuis: geen billijke vergoeding voor deze acteurs. Mij lijkt het vonnis té kort door de bocht. |